ECLI:NL:RBDHA:2023:10191

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
NL23.14935
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-inwilliging asielaanvraag wegens Dublinverordening en leeftijdsregistratie Duitsland

Eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend, maar deze is niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Duitsland registreerde eiser als meerderjarig met een andere geboortedatum dan door eiser opgegeven.

Eiser betoogt minderjarig te zijn en dat hij onterecht als meerderjarig is geregistreerd, en voert aan dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege trauma en lange wachttijd op beoordeling van zijn asielrelaas gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht uitgaat van de Duitse leeftijdsregistratie en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze onjuist is.

Daarnaast is de stelling van een trauma niet onderbouwd en is er geen bewijs dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Ook de lange wachttijd rechtvaardigt geen uitzondering op overdracht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14935

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland voor de behandeling daarvan verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In zijn asielaanvraag in Nederland d.d. 24 januari 2023 stelt eiser te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit onderzoek in Eurodac is namelijk gebleken dat eiser in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Daarbij is ook gebleken dat eiser in Duitsland geregistreerd staat met een meerderjarige leeftijd, met als geboortedatum [Geboortedatum 2]. Verweerder heeft daarom deze geboortedatum overgenomen. Hij heeft voorts de autoriteiten van Duitsland verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. [2] Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd op 2 maart 2023.
3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe aan dat hij minderjarig is en ook voldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom hij in Duitsland een andere geboortedatum heeft opgegeven. Hij wilde namelijk voorkomen dat hij zou worden teruggestuurd naar Algerije. Daarnaast had verweerder toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft een trauma opgelopen na een brand in de opvanglocatie in Duitsland. Daarnaast wacht hij al heel lang op een inhoudelijke beoordeling van zijn asielrelaas. Deze omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. Verweerder heeft in overeenstemming met werkinstructie 2018/19 onderzoek gedaan naar de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat, nadat uit de schouw in Nederland is gebleken dat er getwijfeld kon worden aan de door eiser opgegeven leeftijd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat verweerder van de leeftijdsregistratie in de andere lidstaat mag uitgegaan. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze registratie niet klopt. Eiser is daar niet in geslaagd. De enkele verklaring dat hij minderjarig is en dat hij een verkeerde leeftijd heeft opgegeven omdat hij niet wilde worden teruggestuurd naar Algerije is daarvoor onvoldoende. Verder is niet gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht of pogingen heeft ondernomen om alsnog aan documenten te komen die de door hem alhier gestelde leeftijd aantonen.
6. Verweerder heeft in de stelling dat eiser een trauma heeft opgelopen door een brand in Duitsland ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Deze stelling is namelijk niet onderbouwd. Bovendien dient hij te klagen bij de autoriteiten in Duitsland, indien er problemen zijn. Niet is gesteld of gebleken dat hij dit niet kan of dat de Duitse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat de enkele omstandigheid dat eiser lang wacht op een inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag in Nederland niet maakt dat overdracht getuigt van onevenredige hardheid. Immers, aan eiser is bij het aanmeldgehoor van 29 april 2023 medegedeeld dat hij mogelijk zal worden overgedragen aan Duitsland en dat de asielaanvraag niet in behandeling zal worden genomen. [5] Hij was daarom op de hoogte dat er mogelijk geen inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag zou plaatsvinden. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Pagina 4 en 5 van het gehoor.