ECLI:NL:RBDHA:2023:10201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
NL23.16739
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken.

Eiser betwist slechts enkele lichte gronden voor de maatregel, terwijl de rechtbank oordeelt dat de overige zware gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen. Het standpunt van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend zou zijn bij het opvragen van een laissez passer wordt verworpen omdat de identiteit via vingerafdrukken is bevestigd.

Ook het beroep dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de medische omstandigheden van eiser wordt afgewezen. De rechtbank stelt dat eiser geen onderbouwing heeft gegeven dat zijn hoge bloeddruk uitzetting permanent in de weg staat. Verder is niet gebleken dat een lichter middel effectief zou zijn of dat detentie onredelijk bezwarend is.

De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16739

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. W. Spijkstra,
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

gemachtigde: mr. L.O. Augustinus.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist enkel de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d. De overige aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de hiervoor genoemde lichte gronden hoeft geen bespreking.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt bij het opvragen van een laissez passer door niet direct de door eiser opgegeven verschillende personalia door te geven aan de Marokkaanse autoriteiten.
4.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft geen documenten met betrekking tot de door hem gestelde namen. Verweerder heeft eisers vingerafdrukken naar de Marokkaanse ambassade gestuurd en de Marokkaanse autoriteiten kunnen op basis daarvan eisers identiteit en nationaliteit bevestigen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet nodig alle aliassen te sturen. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop niet kan worden gezegd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser is verder van mening dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of hij, gelet op zijn hoge bloeddruk, wel kan vliegen en of er daarmee wel zicht op uitzetting bestaat dan wel had moeten worden volstaan met een lichter middel.
5.1
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder hoefde geen verder onderzoek te doen, nu eiser geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor zijn suggestie dat zijn gestelde hoge bloeddruk permanent in de weg zou staan aan uitzetting. Voor zover deze beroepsgrond ziet op de feitelijke uitzetting van eiser naar Marokko is de rechtbank van oordeel dat dat niet ter toetsing voor ligt bij de bewaringsrechter.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen, zeker niet nu eiser heeft verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan terugkeer naar Marokko en eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van medische omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Verweerder heeft terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij.
6. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring
onrechtmatig is [1] .
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie HvJEU van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.