ECLI:NL:RBDHA:2023:10259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
22/836
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:88 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgevolg brief over vermogen bij bijstandsuitkering en afwijzing schadevergoeding

Eisers ontvangen sinds 2013 een bijstandsuitkering en hebben de gemeente geïnformeerd over de aanschaf van een nieuwe auto op naam van hun dochter. De gemeente vroeg om aanvullende informatie over de verkoop van de oude auto en aankoopnota's. Op 22 december 2021 stuurde de gemeente een brief met het verzoek om een vrijwaringsbewijs van de nieuwe auto, met de waarschuwing dat de dagwaarde van de auto tot het vermogen gerekend zou worden als de auto op naam van eisers bleef, wat gevolgen zou hebben voor de uitkering.

Eisers maakten bezwaar tegen deze brief, maar de gemeente verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit zou zijn. Eisers stelden dat de brief wel rechtsgevolgen had, namelijk beëindiging van de uitkering, en dat het onevenredig was dat zij pas via bezwaar en beroep tegen een eventuele beëindiging een oordeel konden krijgen over hun vermogen.

De rechtbank oordeelt dat de brief geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro, omdat de brief geen rechtsgevolg heeft. De brief is slechts een verzoek om informatie en een aankondiging van mogelijke gevolgen, maar bevat geen beslissing die gericht is op rechtsgevolg. De aangehaalde jurisprudentie is niet van toepassing op deze situatie. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding op grond van een onrechtmatig besluit wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), beiden uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: I.M. Groen)

en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Inleiding

Eisers hebben tegen de door verweerder gestuurde brief van 22 december 2021 bezwaar ingediend.
Met het besluit van 18 januari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eisers hebben een nader beroepschrift ingediend en hebben daarbij tevens een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade gedaan.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eisers ontvangen sinds 1 februari 2013 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Eisers hebben samen met hun zoon en dochter bij brief van 20 augustus 2021 aan de gemeente bericht dat de vorige auto met kenteken 88… niet goed was om mee verder te rijden en dat op 11 augustus 2021 een nieuwe auto met kenteken H… is aangeschaft. De dochter heeft deze auto gekocht. De zoon heeft daartoe aan de dochter geld geleend en eiseres heeft € 3.000,- betaald. De auto met kenteken H… en de autoverzekering staan op naam van eiseres. De dochter is meerijdend verzekerd.
1.3.
Hierop heeft het hoofd Inkomensbeheer (afdelingshoofd) eisers bij brief van
1 oktober 2021 gevraagd om uiterlijk 15 oktober 2021 een verklaring en bewijsstukken in te leveren over de verkoop van de auto met kenteken 88… en een aankoopnota met aankoopbedrag van de auto H… Nadat eiseres had verzocht om uitstel heeft het afdelingshoofd bij brief van 11 oktober 2021 het verzoek van 1 oktober 2021 herhaald en als inleverdatum 25 oktober 2021 genoemd.
1.4.
In de rapportage bijstand van 22 december 2021 staat dat eiseres een verklaring heeft ingeleverd dat een auto is aangeschaft die op haar naam staat.
1.5.
Het afdelingshoofd heeft eisers bij brief van 22 december 2021 met titel “verzoek om informatie”, het volgende bericht: “U ontvangt een bijstandsuitkering. Wij onderzoeken of u nog recht heeft op een uitkering. In deze brief vraag ik uw medewerking hiervoor. Zorgt u ervoor dat wij uiterlijk 5 januari 2022 de volgende informatie hebben ontvangen: vrijwaringsbewijs van kenteken H... Indien het kenteken op naam van een van u beiden blijft, dan zijn wij genoodzaakt om de volledige dagwaarde van de auto te rekenen tot uw vermogen, hetgeen gevolgen zal hebben voor uw recht op bijstandsuitkering.” Eiseres heeft telefonisch om uitstel verzocht. Bij brief van 4 januari 2022 heeft het afdelingshoofd dit bericht herhaald en de inleverdatum op 19 januari 2022 gezet.
1.6.
Eisers hebben verklaard dat de auto met kenteken H… op 25 januari 2022 op naam van de schoondochter is gezet en op 1 maart 2022 op naam van de dochter. Op 10 maart 2022 heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen de gemachtigde van eisers en een medewerker van verweerder. Ter zitting is gebleken dat de medewerker akkoord is gegaan het voorstel van de gemachtigde van eisers om de auto met kenteken H… te waarderen naar het bedrag van de onderhandse verkoopwaarde ter hoogte van € 12.350,-, waarmee het vermogen onder de voor eisers geldende vermogensgrens blijft. Verweerder heeft bij besluit van 29 april 2022 het vermogen van eisers vanaf 10 maart 2022 vastgesteld op een bedrag van € 12.350,-. Eisers hebben tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.7.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de brief van 22 december 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de brief geen rechtsgevolg heeft.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eisers zijn op hierna te bespreken gronden in beroep gekomen.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. Tussen partijen is in geschil of de brief van 22 december 2021 (de brief) is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.1.
Eisers hebben aangevoerd dat de brief wel is gericht op rechtsgevolg, namelijk beëindiging van de uitkering als eiseres de auto niet op tijd van haar naam haalt. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15515, stellen eisers dat het onevenredig bezwarend is dat zij alleen via de weg van bezwaar en beroep tegen een eventuele beëindiging van hun uitkering een oordeel van de rechter kunnen krijgen over wat in hun concrete geval tot hun vermogen wordt gerekend.
4.2.
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.3.
Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling is gericht op rechtsgevolg. Een besluit ziet op een rechtsgevolg, als het erop gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. [1]
4.4.
Het betoog van eisers slaagt niet. Anders dan eisers stellen staat in de brief niet dat de uitkering wordt beëindigd als de auto met kenteken H… niet op naam van iemand anders dan eisers wordt gezet. In de brief vraagt het afdelingshoofd om een vrijwaringsbewijs op te sturen. Dit verzoek is niet gericht op rechtsgevolg. Verder behelst de brief enkel een aankondiging dat de dagwaarde van de auto tot het vermogen van eisers zal worden gerekend als eisers niet aan dit verzoek voldoen. Ook de aankondiging is geen beslissing die gericht is op rechtsgevolg.
4.5.
De uitspraak die door eisers is aangehaald ziet op een andere situatie dan in deze zaak aan de orde is en is daarom niet van toepassing. Anders dan eiseres stellen konden zij niet pas in beroep tegen een eventuele beëindiging van de uitkering een oordeel krijgen over wat in hun concrete geval tot het vermogen moet worden gerekend. Eisers zouden daarover namelijk via de weg van bezwaar en beroep tegen het besluit tot vaststelling van hun vermogen een oordeel kunnen krijgen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Verzoek om schadevergoeding
5. Eisers hebben een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb. Zoals ter zitting besproken wordt dit verzoek afgewezen nu geen sprake is van een besluit, en dus ook geen sprake van een onrechtmatig besluit, zoals genoemd in artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 30 januari 2008 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2008:BC3065.