ECLI:NL:RBDHA:2023:10338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
14 juli 2023
Zaaknummer
NL23.18217
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 Vw 2000Art. 106 lid 1 Vw 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hem een maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 27 juni 2023 opgeheven, nog voordat de zitting over het beroep had plaatsgevonden.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op 4 juli 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde zonder bericht van verhindering niet zijn verschenen. De beoordeling richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toegekend moest worden.

De rechtbank concludeert dat de bewaring onrechtmatig was gedurende de periode van 24 juni tot 27 juni 2023. De staatssecretaris erkent dit en is bereid schadevergoeding te betalen voor deze periode. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €400,- (€100 per dag) en veroordeelt de staatssecretaris tevens tot vergoeding van de proceskosten van €837,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter D. Bruinse - Pot.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €400 toe voor onrechtmatige bewaring en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €837.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 juni 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De staatssecretaris heeft op 27 juni 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2023 op zitting behandeld. De eiser en zijn gemachtigde zijn – zonder bericht van verhindering – niet verschenen. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. De rechtbank kan een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen als de bewaring is opgeheven vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden. [2] In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
3. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris bereid is om, naar aanleiding van het ingediende beroep, schade te vergoeden voor de periode vanaf 24 juni 2023 tot 27 juni 2023 voor het verblijf in een huis van bewaring. Daarnaast is de staatssecretaris bereid de proceskosten te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

4. Gelet op wat onder 3. is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van € 400,- (€ 100,- per dag wegens verblijf in een huis van bewaring).
4.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400,-;
- veroordeelt staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Er is besloten aanvang aan de zitting te maken, nadat 10 minuten is gewacht en geprobeerd is de gemachtigde te contacteren.
2.Dit staat in artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.