ECLI:NL:RBDHA:2023:10376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
17 juli 2023
Zaaknummer
NL23.19538
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 22 maart 2023 door verweerder is opgelegd. De rechtbank toetst of deze maatregel sinds het sluiten van het laatste onderzoek op 15 mei 2023 nog rechtmatig is.

Eiser stelt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, met name vanwege een schriftelijk rappel pas op 29 juni 2023 na 17 mei 2023. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig werd bevonden.

De rechtbank oordeelt dat er geen aanwijzingen zijn dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, mede omdat een laissez-passer-aanvraag is ingediend en meerdere rappels en vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. De enkele stelling van onvoldoende voortvarendheid wordt niet gevolgd.

De ambtshalve toetsing leidt eveneens niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19538

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 22 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 10 juli 2023.

Overwegingen

1. Eiser stelt en te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2787, en 19 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7446. Uit deze uitspraken volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste (vervolg) beroep, 15 mei 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser meent dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarnaast meent eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat verweerder na 17 mei 2023 pas weer op 29 juni 2023 een schriftelijk rappel heeft gezonden
aan de Marokkaanse autoriteiten. Dat er in de tussentijd vertrekgesprekken zijn gevoerd, maakt het volgens eiser niet anders.
5. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2023 [2] , van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. De rechtbank neemt hierbij in acht dat op 22 februari 2023 een LP [3] -aanvraag is ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten en verweerder op dit moment afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder voort het laatst op 8 juni 2023 en 29 juni 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd. Ook zijn er op 23 mei 2023 en 12 juni 2023 nog vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Verweerder heeft de rapporten van de vertrekgesprekken overgelegd. De enkele stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt, omdat hij na 17 mei 2023 pas weer op 29 juni 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder ziet de rechtbank geen verdere aanknopingspunten om op voorhand te twijfelen over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een LP zullen afgeven of dat er nog een presentatie zal plaatsvinden.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [4]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968.
3.Laissez-passer.
4.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland).