De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de inschrijving van zijn minderjarige dochter op een Islamitische basisschool en kinderopvang. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit, maar zijn het niet eens over het type onderwijs: de vader wil Islamitisch onderwijs, de moeder een school zonder religieuze inslag.
De vader stelde dat tijdens het huwelijk was afgesproken dat hun kinderen Islamitisch onderwijs zouden volgen, passend bij hun religieuze achtergrond. De moeder betwistte deze afspraak en gaf aan dat zij zich inmiddels vrij voelt om eigen keuzes te maken en vindt dat educatie en geloof gescheiden moeten blijven.
De rechtbank overwoog dat hoewel beide ouders praktiserend moslim zijn en het belangrijk vinden dat het kind kennismaakt met de Islam, de keuze voor speciaal religieus onderwijs een persoonlijke beslissing is die alleen kan worden genomen als beide ouders die overtuiging delen. Omdat dit niet het geval is, acht de rechtbank passend dat het kind wordt ingeschreven op een school en kinderopvang zonder religieuze inslag.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de vader af en verleent zij de moeder vervangende toestemming om het kind in te schrijven op een van de door haar genoemde openbare scholen en kinderopvangcentra. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.