ECLI:NL:RBDHA:2023:10494

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juli 2023
Publicatiedatum
18 juli 2023
Zaaknummer
NL23.19103
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Guyaanse autoriteiten

Verzoeker is geïnformeerd over zijn voorgenomen overdracht aan de Guyaanse autoriteiten op 4 juli 2023. Hiertegen maakte hij op 2 juli 2023 bezwaar en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de overdracht op te schorten. Verweerder annuleerde de overdracht op 3 juli 2023 vanwege een ingediende reguliere aanvraag door verzoeker.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van verzoeker was komen te vervallen door de annulering van de overdracht. Een voorlopige voorziening kon alleen worden toegekend indien het besluit evident onrechtmatig was, hetgeen niet het geval bleek. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Wel werd erkend dat verzoeker terecht een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend en proceskosten had gemaakt. Daarom werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €418,50 en het griffierecht van €184.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19103

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij zal worden overgedragen aan de Guyaanse autoriteiten op dinsdag 4 juli 2023.
Verzoeker heeft daartegen op 2 juli 2023 bezwaar gemaakt. Hij heeft verder op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat zijn overdracht wordt opgeschort.
Verweerder heeft op 3 juli 2023 schriftelijk meegedeeld dat de overdracht van 4 juli 2023 is geannuleerd.
Verzoeker heeft desgevraagd meegedeeld zijn verzoek te handhaven.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw [1] wordt een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig voor de toepassing van Afdeling 7.2 van die wet met een beschikking gelijkgesteld. De voorgenomen overdracht van verzoeker is als een zodanige handeling aan te merken. Daartegen staat aldus het rechtsmiddel van bezwaar open.
2. Als er voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb [2] op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, kan een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege blijven als het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. Bij bericht per email van 3 juli 2023 heeft verweerder meegedeeld dat de overdracht van 4 juli 2023 is geannuleerd, omdat verzoeker een reguliere aanvraag heeft ingediend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker daardoor geen spoedeisend belang meer heeft bij de door hem gevraagde voorziening.
4. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in beroep in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door verweerder genomen besluit.
5. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is en dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder aan verzoeker is tegemoetgekomen door de uitzetting te annuleren, dat verzoeker ter voorkoming van die uitzetting een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend en dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt. Omdat verzoeker terecht een verzoek om voorlopige voorziening heeft gevraagd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van €837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). Ook moet verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 184 vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent);
  • bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ter hoogte van € 184 (honderdvierentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht