ECLI:NL:RBDHA:2023:10507
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afgewezen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 20 april 2022 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 5 juli 2022 het bezwaar inhoudelijk behandeld en beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig was op het moment van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek dan ook zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er nog een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar reeds is afgedaan, is het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk en wordt het als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan op 12 juli 2023 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, en is definitief, daartegen geen rechtsmiddel openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.