ECLI:NL:RBDHA:2023:10525
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- C.I.H. Kerstens - Fockens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, een Bengalese student, kreeg een verblijfsvergunning voor studie in november 2020. Na afmelding door de onderwijsinstelling wegens onvoldoende studievoortgang per juni 2021, trok de staatssecretaris de vergunning in en legde een terugkeerbesluit op. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de intrekking niet deugdelijk was gemotiveerd, dat de staatssecretaris niet zelf de studievoortgang had beoordeeld en dat zijn privacybelangen op grond van artikel 8 EVRM Pro onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid tot intrekking correct is gebaseerd op de Richtlijn 2016/801 en dat het aan de onderwijsinstelling is om studievoortgang te beoordelen. Wel is vastgesteld dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 3.6b Vb, ondanks het beroep op artikel 8 EVRM Pro.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond wegens motiveringsgebrek en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen.