Eiseres ontving een Ziektewetuitkering die het UWV per 2 juli 2021 beëindigde omdat zij meer dan 65% van haar vroegere loon kan verdienen. Na bezwaar en een gewijzigd besluit per 12 april 2022, waarbij de beëindigingsdatum werd aangepast naar 21 januari 2022, stelde eiseres beroep in. De rechtbank behandelde de zaak op 31 mei 2023.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, en onderzocht vervolgens het tweede besluit. Het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek waarop het UWV het besluit baseerde, werd door de rechtbank als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beoordeeld. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden de beperkingen en geschiktheid van functies adequaat vastgesteld.
Eiseres voerde onder meer strijd met het motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, en een beroep op de hardheidsclausule aan, maar slaagde hier niet in. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde omdat eiseres meer dan 65% van haar loon kan verdienen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiseres vergoed.