In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
Tijdens de zitting op 11 juli 2023 waren eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris aanwezig. Eiser betwist de gronden en de motivering van de maatregel niet en verwijst naar het oordeel van de rechtbank. De rechtbank toetst ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel en ziet geen reden om de maatregel onrechtmatig te verklaren.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de maatregel van bewaring. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af, en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.