ECLI:NL:RBDHA:2023:1065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
NL20.6146
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 31 lid 5 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag gegrond werd verklaard. De rechtbank had toen een beslistermijn van 16 weken opgelegd, inclusief het eerste gehoor. Opposant stelde dat hij reeds op 15 september 2020 was gehoord, waardoor de termijn korter had moeten zijn.

Verweerder heeft op 26 februari 2021 alsnog inwilligend beslist op de asielaanvraag, waardoor het procesbelang voor het verzet ontbreekt. De rechtbank erkent dat zij niet alle feiten juist had betrokken, maar verklaart het verzet niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

De rechtbank veroordeelt de griffier tot het vergoeden van de proceskosten van opposant voor het verzet, vastgesteld op €418,50. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en de griffier wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.6146

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam] opposant

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers).

Procesverloop

Bij uitspraak van 20 januari 2021 heeft de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat verweerder aan opposant een bestuurlijke alsook een rechterlijke dwangsom verschuldigd is. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden het eerste gehoor afneemt en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit aan opposant bekendmaakt, in ieder geval binnen zestien weken na de uitspraak. Ook heeft de rechtbank verweerder veroordeeld in de proceskosten van opposant.
Opposant heeft tegen deze uitspraak op 28 januari 2021 verzet gedaan.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In verzet kan in beginsel uitsluitend worden beoordeeld of de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling van de beroepen is overgegaan.
2. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een beslistermijn van uiterlijk 16 weken van toepassing is. Opposant is immers op 15 september 2020 gehoord, wat de rechtbank ten onrechte niet bij zijn beoordeling betrokken heeft. Daarbij komt dat de aanvraag is ingediend op 28 augustus 2018 en de termijn van 21 maanden, waarbinnen een asielprocedure moet zijn afgerond op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, ruimschoots is verstreken. Nu de eerste acht weken van de beslistermijn van 16 weken gaan over het horen, terwijl opposant al gehoord was, had de rechtbank verweerder een beslistermijn moeten opleggen van twee, subsidiair acht weken in plaats van zestien weken.
3. Verweerder heeft bij besluit van 26 februari 2021 alsnog inwilligend beslist op de asielaanvraag van opposant. Nu hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal het verzet wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. De rechtbank erkent dat zij in zoverre van een onjuist feitencomplex is uitgegaan dat ten onrechte het gegeven dat opposant al gehoord was op 15 september 2020 niet bij de beoordeling betrokken was. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu opposant reden had om verzet in te stellen.
5. De rechtbank zal de proceskosten in verband met de behandeling van het verzet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
  • veroordeelt de griffier tot het vergoeden van de door opposant gemaakte proceskosten voor het verzet tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.