ECLI:NL:RBDHA:2023:10668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
20 juli 2023
Zaaknummer
AWB 23/2861 VK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 3.71, tweede lid, VreemdelingenbesluitArt. 3.71, derde lid, VreemdelingenbesluitRichtlijn 2011/98/EUArt. 4, tweede lid, onder k, Richtlijn 2011/98/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige

Verzoeker, een Surinaamse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is afgewezen omdat verzoeker niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij de beslissing op bezwaar in Nederland kan afwachten. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek behandeld en geoordeeld dat het mvv-vereiste niet in strijd is met de toepasselijke EU-richtlijn en dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.

Ook is vastgesteld dat verzoeker niet behoort tot een categorie die vrijgesteld is van het mvv-vereiste en dat het ontbreken van een mvv betekent dat de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld kon worden. De voorzieningenrechter acht het bezwaar kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/2861

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2023 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Suriname, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: drs. F.W. King),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 februari 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat hij de beslissing op bezwaar in Nederland af mag wachten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening, nu hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en uit Nederland kan worden verwijderd.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
5. Verzoeker heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1984. Hij heeft op 21 februari 2020 een aanvraag ingediend voor ‘arbeid in loondienst’. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 15 maart 2020. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 4 september 2020 ongegrond verklaard, waartegen verzoeker beroep heeft ingediend. Bij uitspraak van 23 april 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam [1] , is het beroep ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser op 12 december 2022 de huidige aanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat verzoeker niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste [2] en niet is gebleken dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard [3] .
6. Niet in geschil is dat verzoeker geen aanvraag heeft ingediend voor een mvv en derhalve niet in het bezit is van geldige mvv. Ook is niet in geschil dat verzoeker niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen die vrijgesteld kunnen worden van het mvv-vereiste. Verzoeker voert aan dat hem het mvv-vereiste niet mag worden tegengeworpen. De voorzieningenrechter is het daarmee oneens. In de eerste plaats is het mvv-vereiste niet in strijd met Richtlijn 2011/98 [4] , omdat deze richtlijn niet ziet op het verrichten van arbeid als zelfstandige. [5] Daarnaast heeft verzoeker niet onderbouwd dat terugkeer naar Suriname om een mvv aan te vragen onevenredig bezwarend is voor hem. Dat verzoeker een onderneming zou hebben die door zijn afwezigheid in gevaar komt – zoals verzoeker op zitting zei – is niet onderbouwd. Ook voor het overige heeft verzoeker niet onderbouwd waarom het tegenwerpen van het mvv-vereiste voor hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verzoekers beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2019 [6] kan hem niet baten, want niet is gesteld of gebleken dat hij voldoet aan de overige materiële vereisten van de gevraagde vergunning. [7] Voor zover verzoeker stelt dat hij niet aan het mvv-vereiste kan worden gehouden, omdat verweerder geen advies heeft ingewonnen bij het UWV, slaagt dit ook niet. Omdat verzoeker überhaupt geen mvv heeft aangevraagd, is verweerder niet aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de aanvraag toegekomen.
7. Verder ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen, omdat er per ongeluk een zin in het besluit staat die er niet hoort te staan. Uit de rest van het besluit blijkt duidelijk waarom verweerder de aanvraag afwijst. Ook is er geen reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen omdat verzoeker de kans moet krijgen tijdens de bezwaarprocedure door verweerder te worden gehoord. Zoals verweerder terecht op de zitting zei, is de hoorplicht niet absoluut en is de omstandigheid dat er al dan niet wordt gehoord geen reden om op voorhand een voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure toe te wijzen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat, gelet op de inhoud van het huidige bezwaarschrift bezien in samenhang met wat verzoeker in deze procedure heeft aangevoerd, er op dit moment sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat bij deze stand van zaken daarom van het horen van verzoeker kan worden afgezien. Bovendien is het niet onmogelijk om verzoeker vanuit Suriname te horen, mocht verweerder daar aanleiding toe zien.
8. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen, dus de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.artikel 17, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb)
3.artikel 3.71, derde lid, van het Vb
4.Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (de richtlijn).
5.artikel 4, tweede lid, onder k, van de richtlijn
7.zie ook de eerdere uitspraak genoemd in voetnoot 1