ECLI:NL:RBDHA:2023:10734

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2023
Publicatiedatum
21 juli 2023
Zaaknummer
NL23.19912
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is sinds 19 april 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft op 5 juli 2023 de voortzetting van deze maatregel bekendgemaakt, wat door eiser is aangevochten met verzoek om opheffing en schadevergoeding.

De rechtbank toetst uitsluitend het voortduren van de maatregel na 26 april 2023, het moment waarop het eerdere onderzoek werd gesloten. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, onder meer omdat er geen vertrekgesprekken zijn gevoerd en de Marokkaanse autoriteiten niet reageren op rappelbrieven. Ook is volgens eiser onduidelijk of er zicht is op uitzetting.

De rechtbank constateert dat eiser meerdere keren heeft geweigerd om vertrekgesprekken te voeren en dat verweerder dertien maal schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. De voortgangsrapportage toont aan dat een presentatie aan de Marokkaanse vertegenwoordiging nog ingepland moet worden, wat een gebruikelijke procedure is. Er is voldoende zicht op uitzetting naar Marokko, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19912

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 april 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Op 5 juli 2023 heeft verweerder een kennisgeving gedaan dat de bewaring van eiser voortduurt. Deze kennisgeving wordt aangemerkt als een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Eiser heeft gronden ingediend en schadevergoeding gevraagd.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 juli 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6394, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het
sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom
staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 26 april 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat in het digitale dossier enkel een verslag van het vertrekgesprek op 22 juni 2023 te vinden is, waarin staat dat niet met eiser gesproken is. Dit betekent dat sinds 19 april 2023 geen gesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Ook is de LP [2] -aanvraag gestart in oktober 2022, terwijl eiser sinds april 2023 in bewaring verblijft. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet gereageerd op de rappelbrieven. Verder wijst eiser erop dat in de voortgangsrapportage is vermeld dat een presentatie aan de vertegenwoordiging nog te plannen is met een datum 1-1-1900. Eiser concludeert daarom dat er geen enkele beweging in het onderzoek zit en verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Ook is volgens eiser niet duidelijk of er zicht op uitzetting naar Marokko is.
5. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat eiser meermaals heeft geweigerd om een vertrekgesprek te voeren. Het kan verweerder dan ook niet worden tegengeworpen dat er geen vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat verweerder sinds het indienen van de LP-aanvraag in totaal dertien maal schriftelijk heeft gerappelleerd over de aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten, meest recentelijk op 29 juni 2023. Dat de LP-aanvraag is gestart voorafgaand de inbewaringstelling van eiser doet niet af aan het feit dat verweerder hiermee voldoende voortvarend handelt. De rechtbank is verder van oordeel dat in zijn algemeenheid wel kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling [3] van 14 november 2022. [4] Eiser heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbreekt. De sinds het indienen van de LP-aanvraag verstreken tijd leidt niet op voorhand tot twijfel over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser binnen afzienbare termijn een LP zullen afgeven. Hierbij betrekt de rechtbank dat verweerder op dit punt afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten.
6. Verder staat in de voortgangsrapportage van 12 juni 2023 onder het kopje ‘presentatie aan vertegenwoordiging’ aangegeven dat een presentatie aan de Marokkaanse vertegenwoordiging nog dient te worden ingepland met als weergegeven datum 1 januari 1900. De rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld dat een presentatie nog niet heeft plaatsgevonden. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dit een gebruikelijke werkwijze van verweerder is. Uit de voortgangsrapportage blijkt evident dat er nog een presentatie gepland moet worden. Daarnaast ligt de datum 1 januari 1900 zo ver in het verleden dat van enige onduidelijkheid redelijkerwijs niet kan worden gesproken.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van
de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig
moment onrechtmatig was. [5]
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de