ECLI:NL:RBDHA:2023:10788
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afgewezen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke op 15 april 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. Nadat op het bezwaar op 20 juni 2022 was beslist, was er geen bezwaar meer aanhangig.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Omdat het bezwaar reeds is behandeld en er geen bezwaar meer openstaat, kan het verzoek niet worden ingewilligd.
Daarnaast is in een andere procedure (zaaknummer AWB 22/4427) reeds uitspraak gedaan op het beroep. Hierdoor wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar en omdat het beroep reeds is behandeld.