ECLI:NL:RBDHA:2023:10791
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afgewezen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 14 april 2022 is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg tevens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 22 juni 2022 het bezwaar inhoudelijk behandeld en besloten. Hierdoor was er geen bezwaar meer aanhangig ten tijde van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
De rechtbank overweegt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is als er een bezwaar of beroep aanhangig is. Omdat het bezwaar reeds is beslist en er een uitspraak op het beroep in een gerelateerde zaak is gedaan, wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W. Anker en griffier R. de Mul op 12 juli 2023 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds is beslist.