ECLI:NL:RBDHA:2023:10793
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 29 maart 2022 is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 15 juni 2022 het bezwaar inhoudelijk behandeld en beslist. Omdat het bezwaar inmiddels is afgehandeld, is er geen bezwaar meer aanhangig, waardoor op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb een verzoek om voorlopige voorziening niet meer mogelijk is.
De rechtbank heeft vervolgens in een andere procedure (zaaknummer AWB 22/4434) uitspraak gedaan op het beroep dat tegen het bezwaar was ingesteld. Gezien deze omstandigheden wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar is beslist en het beroep is behandeld.