ECLI:NL:RBDHA:2023:10796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2023
Publicatiedatum
24 juli 2023
Zaaknummer
NL23.16305
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht en uitzetting Marokko

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser betwistte de gronden voor de maatregel niet, maar voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko zou zijn en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn. De rechtbank stelde vast dat er wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, onderbouwd met recente statistieken over laissez-passer aanvragen en uitzettingen naar Marokko.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat gezien het niet naleven van het terugkeerbesluit en het ontbreken van verblijfsrecht in Spanje, de maatregel van bewaring terecht is opgelegd. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.16305
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.2.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet betwist. Uit deze gronden volgt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting is.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd bij uitspraken van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) en 23 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:747). De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat in de periode januari 2023 tot en met mei 2023 210 laissez-passer (lp) aanvragen bij de Marokkaanse autoriteiten zijn ingediend en dat er 35 lp’s zijn afgegeven. In 29 van die 35 gevallen waarin lp’s zijn afgegeven, heeft dit daadwerkelijk geleid tot gedwongen vertrek. Verder zijn er 50 personen vrijwillig vertrokken en 40 gedwongen. Voorts hebben de Marokkaanse autoriteiten van 100 vreemdelingen de nationaliteit bevestigd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op
uitzetting bestaat. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
3. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel in de vorm van een meldplicht. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij op 23 mei 2023 een vlucht heeft geboekt om op 7 juni 2023 naar Spanje te vertrekken; hieruit zou blijken dat hij Nederland daadwerkelijk wenst te verlaten. Eiser beweert bovendien ingeschreven te staan in Spanje en wil daar ook een verblijfsvergunning aanvragen.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt een risico op onttrekking. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser niet uit eigen beweging en binnen de gestelde termijn gevolg heeft gegeven aan het op 13 april 2023 aan hem opgelegde terugkeerbesluit. Hierin staat opgenomen dat eiser binnen een termijn van 4 weken Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland dient te verlaten en terug dient te keren naar Marokko. Uit het terugkeerbesluit blijkt dat een afschrift van het besluit onmiddellijk aan eiser is uitgereikt. Dit is niet door eiser betwist. Eiser is dan ook op de hoogte van zijn vertrekverplichting en de bijbehorende vertrektermijn. Echter heeft eiser in het gehoor en ter zitting verklaard dat hij niet wenst terug te keren naar Marokko, maar dat hij terug wil naar Spanje. Niet is gebleken dat eiser verblijfsrecht heeft in Spanje. De beroepsgrond slaagt niet.
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van een maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van G. de Man, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 juni 2023

Documentcode: [nummer 2]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.