ECLI:NL:RBDHA:2023:10799

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2023
Publicatiedatum
24 juli 2023
Zaaknummer
NL18574
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag heeft op 18 juli 2023 uitspraak gedaan over het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd reeds eerder getoetst bij uitspraken van 23 mei en 20 juni 2023. De rechtbank beoordeelde of het voortduren van de maatregel rechtmatig is, mede aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.

Eiseres stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de uitzettingshandelingen, onder meer omdat een vertrekgesprek van 13 juni 2023 niet zou hebben plaatsgevonden en er sindsdien geen uitzettingshandelingen meer zijn verricht. De rechtbank stelde vast dat het vertrekgesprek wel heeft plaatsgevonden en dat eiseres niet meewerkt aan de vaststelling van haar identiteit, wat noodzakelijk is voor uitzetting. Gezien de korte duur van de inbewaringstelling en de houding van eiseres kon niet worden verwacht dat de staatssecretaris meer handelingen verricht.

Daarnaast voerde eiseres aan dat er onvoldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn omdat de Chinese autoriteiten geen laissez-passer verstrekken. De rechtbank oordeelde dat zicht op uitzetting niet ontbreekt omdat de Chinese autoriteiten een eerdere aanvraag in behandeling hadden genomen, maar deze buiten behandeling hadden gesteld wegens gebrek aan informatie. De verantwoordelijkheid voor het gebrek aan medewerking lag bij eiseres.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de maatregel van bewaring en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en de maatregel blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18574

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van 18 juli 2023 tussen

[eiseres] , v-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het voortduren van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 7 mei 2023 en duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 23 mei 2023. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 20 juni 2023. [2]
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overlegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring
rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet
onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit
oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
5. Uit de uitspraak van 20 juni 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 19 juni 2023) rechtmatig is.
Heeft de staatssecretaris onvoldoende voortvarend gehandeld?
6. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Zij stelt dat het vertrekgesprek van 13 juni 2023 niet heeft plaatsgevonden. Daarom zijn er sinds 10 mei 2023, het laatst gevoerde vertrekgesprek, geen uitzettingshandelingen meer verricht. Het laatste rappel op de laissez-passer aanvraag dateert namelijk van 26 april 2023. Dat betekent dat de staatssecretaris acht weken geen enkele uitzettingshandeling heeft verricht. Daarnaast stelt eiseres dat, ook in het geval dat er wel een gesprek op 13 juni 2023 heeft plaatsgevonden, de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Dit zou namelijk betekenen dat er al drie weken geen uitzettingshandelingen zijn verricht. Bovendien kan dit gesprek niet als een uitzettingshandeling worden aangemerkt. Uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt namelijk dat er niet tot een inhoudelijk gesprek is gekomen. Uit de nadere toelichting van de staatssecretaris blijkt dat het verslag niet is ‘doorgezet’.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 juni 2023 vastgesteld dat er een vertrekgesprek met verzoekster is gevoerd op 13 juni 2023. Het verzoek om herziening van die uitspraak heeft de rechtbank bij afzonderlijke uitspraak van vandaag (NL23.20054) afgewezen. De rechtbank neemt bij de beoordeling van de voortvarendheid daarom thans tot uitgangspunt dat op 13 juni 2023 een vertrekgesprek is gevoerd. Verder blijkt uit de vertrekgesprekken van 7 april 2023, 3 mei 2023, 10 mei 2023 en 13 juni 2023 dat eiseres niet wil meewerken aan de voorbereiding van haar terugkeer. Eiseres is ongedocumenteerd en weet dat er medewerking van haar wordt verlangd ter vaststelling van haar identiteit. Dit mag de staatssecretaris van haar verwachten. Mede gelet op de relatief korte duur van de inbewaringstelling en de houding van eiseres kan niet van de staatssecretaris worden verwacht meer handelingen te verrichten. Het feit dat er sinds 13 juni 2023 geen uitzettingshandeling is verricht, is onvoldoende om te stellen dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid heeft gehandeld. Overigens is ter zitting naar voren gekomen dat eiseres nu bereid is mee te werken aan de voorbereiding van haar vertrek. De verwachting is dat zij nu zelf de benodigde informatie zal overleggen.
Bestaat er voldoende zicht op uitzetting?
7. Eiseres voert aan dat er onvoldoende sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Door de Chinese autoriteiten wordt namelijk al jaren lang geen laissez-passer verstrekt. In dit specifieke geval is eiseres ongedocumenteerd en is de laissez-passer aanvraag van 18 april 2023 afgewezen. Indien de autoriteiten van het land van herkomst niet meewerken aan de afgifte van reisdocumenten, ontbreekt het zicht op uitzetting en is de maatregel van bewaring onrechtmatig, aldus eiseres.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. De Chinese autoriteiten hebben een eerdere aanvraag om een laissez-passer namelijk in behandeling genomen. Deze aanvraag is enkel buiten behandeling gesteld omdat er te weinig informatie over eiseres bekend was om een identiteitsonderzoek op te starten. Het is niet uitgesloten dat de Chinese autoriteiten de aanvraag om een laissez-passer in behandeling nemen als eiseres meer identificerende informatie over zichzelf verstrekt. De staatssecretaris stelt verder terecht dat ter vaststelling van haar identiteit medewerking mag worden verwacht om de uitzetting te bewerkstelligen. Dat eiseres geen medewerking verleent, is aan eiseres toe te rekenen. Dat het in de praktijk niet vaak voorkomt dat de Chinese autoriteiten een laissez-passer afgeven, betekent niet dat in het specifieke geval van eiseres geen laissez-passer kan worden afgegeven. Daarbij is de duur van de inbewaringstelling, ten tijde van het sluiten van het onderzoek, te kort om te kunnen stellen dat er geen zicht is op uitzetting.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 23 mei 2023, NL23.13747 (niet gepubliceerd).
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 20 juni 2023, NL23.17066 (niet gepubliceerd).
3.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.