De rechtbank Den Haag heeft op 21 juli 2023 het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van 14 juni 2023 beoordeeld. De staatssecretaris had de bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.
Eiser betwistte alle zware en lichte gronden waarop de maatregel is gebaseerd, waaronder het niet melden bij de autoriteiten, het overtreden van een inreisverbod en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de bewaring te dragen. Daarnaast is vastgesteld dat er zicht is op uitzetting naar Marokko, ondanks het ontbreken van een afgegeven laissez-passer, aangezien de staatssecretaris meerdere contacten met de Marokkaanse autoriteiten heeft onderhouden.
Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat een verzwaarde belangenafweging noodzakelijk was vanwege de duur van de bewaring. De rechtbank verwierp deze argumenten, stellende dat geen minder dwingende maatregel effectief zou zijn en dat de verzwaarde belangenafweging pas na zes maanden aaneengesloten bewaring verplicht is.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is opgelegd, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.