ECLI:NL:RBDHA:2023:10808

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2023
Publicatiedatum
24 juli 2023
Zaaknummer
NL23.18559
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArtikel 12 DublinverordeningArtikel 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en risico artikel 3 EVRM

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Nederland heeft Spanje verzocht de asielaanvraag over te nemen, en Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

Eiser betoogt dat hij risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro bij overname naar Spanje, vanwege mogelijke herkenning door belagers binnen de Palestijnse gemeenschap aldaar. Hij stelt dat de staatssecretaris de aanvraag had moeten aanhouden of zelf in behandeling nemen.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Spanje zijn verdragsverplichtingen niet nakomt of dat hij in Spanje gevaar loopt. De vrees van eiser is niet onderbouwd met bewijs en het is aan hem om aannemelijk te maken dat overname leidt tot een schending van artikel 3 EVRM Pro.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit van de staatssecretaris in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18559

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.G.Th. Omtzigt),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 juni 2023 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser betwist niet dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en bestrijdt evenmin dat ten aanzien van Spanje in zijn algemeenheid mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is op 15 december 2022 door Spanje in het bezit gesteld van een (Schengen)visum, dat geldig was van 4 januari 2023 tot 18 april 2023. Eiser heeft op 2 februari 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Het (Schengen)visum was nog geldig op het moment van de asielaanvraag van eiser in Nederland. Nederland heeft daarom op 12 april 2023 de autoriteiten van Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 18 april 2023 zijn de autoriteiten van Spanje hiermee akkoord gegaan.
Levert overname aan Spanje een schending van artikel 3 van Pro het EVRM op?
6. Eiser voert aan dat hij voor zijn vertrek uit Jordanië problemen heeft ondervonden met Palestijnen, in verband met betrokkenheid bij de politieke oppositiepartij. Door naar een land te reizen met een grote Palestijnse gemeenschap, namelijk Spanje, loopt eiser het risico herkend te worden en dus geconfronteerd te worden met zijn belagers. Eiser voegt hieraan toe dat hij bang is dat zijn belagers weten of kunnen weten dat hij in Spanje is, omdat hij met een Spaans visum uit Jordanië is gereisd. Volgens eiser gaat de staatssecretaris eraan voorbij dat de reden om een visum van een lidstaat te vragen zonder de intentie in dat land ook asiel aan te vragen, is om te voorkomen dat duidelijk is voor de belagers van eiser waar hij verblijft. Eiser stelt dan ook dat overdracht aan Spanje een schending van artikel 3 van Pro het EVRM oplevert en dat de staatssecretaris de aanvraag om die reden aan zich had moeten trekken. Eiser betoogt dat het voor hem onmogelijk is om aan te tonen dat hij problemen krijgt in Spanje of dat de Spaanse autoriteiten hem bij die eventuele problemen niet kunnen of willen helpen, omdat het voor eiser juist gevaarlijk is om naar Spanje toe te reizen. De staatssecretaris had bij de beoordeling hiermee rekening moeten houden en kan niet slechts stellen dat Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat Spanje het land is dat het visum heeft verstrekt.
6.1.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de staatssecretaris op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er vanuit mag gaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat Spanje zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat bij overname een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Zoals de staatssecretaris op zitting nader heeft toegelicht en terecht stelt, onderbouwt eiser zijn stelling dat hij in Spanje door zijn belagers zal worden herkend en dat hij zal worden geconfronteerd met zijn belagers op geen enkele wijze. De staatssecretaris stelt namelijk terecht dat niet is onderbouwd dat er in Spanje een grote Palestijnse gemeenschap aanwezig is of dat eisers belagers aan de hand van de visuminformatie kunnen achterhalen dat hij in Spanje verblijft. Omdat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij niet kan worden overgedragen aan Spanje, komt het voor zijn risico dat hij zijn vrees niet met documenten kan staven. Zoals de staatssecretaris terecht op zitting heeft gesteld mag hij er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook vanuit gaan dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de daartoe aangewezen Spaanse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij deze autoriteiten geen zin heeft of dat de Spaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen of beschermen. De gestelde vrees van eiser bij een overdracht voor handelingen die in strijd zijn met artikel 3 van Pro het EVRM, is dus door eiser niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.