De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning te Zoetermeer voor de jaren 2021 en 2022. Verweerder had de waarde vastgesteld op respectievelijk €245.000 en €269.000, wat leidde tot aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. Eiser maakte bezwaar tegen deze beschikkingen, welke door verweerder ongegrond werden verklaard.
Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting op 25 april 2023 bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarden werden vastgesteld op €240.000 voor 2021 en €264.000 voor 2022. De rechtbank sloot zich hierbij aan en oordeelde dat de beroepen gegrond zijn, vernietigde de bestreden besluiten en paste de waarden en aanslagen dienovereenkomstig aan.
De rechtbank wees proceskostenveroordeling af omdat geen proceskosten waren gesteld. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht van €100 aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.