In deze kortgedingprocedure staat de vraag centraal of het conservatoir beslag dat [gedaagde] heeft gelegd op de woning van [eiser] moet worden opgeheven. [gedaagde] stelt slachtoffer te zijn van beleggingsfraude door [A], waarbij [eiser] en diens onderneming [B.V. I] zouden hebben samengewerkt. [eiser] ontkent betrokkenheid en wil het beslag opgeheven zien vanwege onder meer de verkoop van zijn woning.
De voorzieningenrechter overweegt dat het beslag niet summierlijk ondeugdelijk is, mede gelet op aanwijzingen van samenwerking tussen [B.V. I] en [A], zoals het ter beschikking stellen van een bankrekening en een investeringsovereenkomst ondertekend door [eiser]. Het beslag is ook niet onnodig, aangezien [gedaagde] belang heeft bij zekerheid voor zijn vordering van €216.000,= en er onvoldoende zekerheid is verkregen via andere beslagen.
Daarnaast is geoordeeld dat [gedaagde] zijn proceskostenvordering uit het vonnis van 10 november 2022 terecht heeft verrekend met een hogere vordering op [B.V. I], waardoor [eiser] niet bevoegd is om die proceskosten alsnog te innen. De voorzieningenrechter veroordeelt [eiser] tot terugbetaling van geïncasseerde bedragen en verbiedt verdere executiemaatregelen.
De vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen, en [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en uitgesproken op 26 januari 2023.