ECLI:NL:RBDHA:2023:10884

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juli 2023
Publicatiedatum
24 juli 2023
Zaaknummer
C/09/647596 / JE RK 23-1012
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Den Haag heeft op 5 juli 2023 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, vanwege aanhoudende zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en de problematiek van de ouders.

De ouders kampen met alcoholproblematiek en zijn tijdelijk uit contact met de hulpverlening geraakt nadat zij hun woning zijn uitgezet. Positieve ontwikkelingen zijn zichtbaar: de vader is gestart met behandeling en de moeder is klinisch opgenomen en voldoet aan voorwaarden voor verblijf in een ouder-kindhuis. Het perspectief van de minderjarige ligt bij de moeder, met een geplande intake voor het ouder-kindhuis in juli 2023.

De kinderrechter acht de verlenging noodzakelijk omdat de zorgen nog niet zijn weggenomen en de veilige opvoedomgeving in het pleeggezin als vangnet moet blijven bestaan. Zowel de moeder als de vader stemmen in met het verzoek. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige met behoud van pleegzorg en perspectief op terugplaatsing bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/647596 / JE RK 23-1012
Datum uitspraak: 5 juli 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
locatie Den Haag, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende
[naam01], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam02],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats01] ,
advocaat: mr. R. Shahbazi, gevestigd te [vestigingsplaats01] ,
[naam03],
hierna te noemen: de vader,
met een briefadres te [plaats01] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 mei 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juli 2023. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [naam04] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft feitelijk in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2022 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 15 juli 2022 tot 15 juli 2023.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 2023 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 7 januari 2023 tot 7 juli 2023.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er bestaan nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zowel de vader als de moeder kampen met alcoholproblematiek. Daar komt bij dat de ouders hun woning zijn uitgezet en daardoor uit het contact zijn getreden met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening. In de afgelopen periode wordt echter een positieve ontwikkeling gezien in de situatie van beide ouders. De vader verblijft sinds 14 maart 2023 bij Domus 3, waar hij in de opstartende fase zit van zijn behandeling en heeft hij op 3 mei 2023 een tweede intakegesprek bij Fivoor voor verdere behandeling. Daarnaast heeft de moeder zich op 14 maart 2023 klinisch laten opnemen bij de Brijder, waarbij gezien wordt dat zij sinds die tijd schone urine heeft. Tijdens deze opname is door Parnassia diagnostisch onderzoek verricht bij de moeder, onder meer door middel van een IQ-test en een persoonlijkheidsonderzoek. Hieruit kwam voort dat haar IQ boven de 70 is waardoor een verblijf in een ouder-kindhuis – behoudens voorwaarden – mogelijk is. Ter zitting is door de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat zeer recent gebleken is dat de moeder voldoet aan de gestelde voorwaarden voor een verblijf in een ouder-kindhuis en dat hiervoor in juli een intake gepland staat. Het verblijf zal in beginsel zes tot negen maanden duren en zal naar alle waarschijnlijkheid starten in augustus. Het perspectief van [minderjarige] ligt bij de moeder. Tijdens het verblijf van de moeder in het ouder-kindhuis zal in de komende periode stapsgewijs gewerkt worden naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Ook zal onderzocht worden wat de rol van de vader hierbij zal zijn. Gelet op het feit dat de zorgen op dit moment nog onvoldoende zijn weggenomen en dat tot de volledige terugplaatsing van [minderjarige] de veilige opvoedomgeving binnen het pleeggezin gewaarborgd dient te blijven, danwel als vangnet gebruikt dient te worden, acht de gecertificeerde instelling de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzochte, althans wordt niet tegen toewijzing daarvan verzet. Ter zitting brengt de moeder daartoe naar voren dat zij de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en liever niet heeft dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verlengd. De moeder heeft probleembesef en probleeminzicht en ziet in dat hulpverlening noodzakelijk is.
4.2.
De vader heeft ingestemd met het verzochte. Daartoe heeft de vader ter zitting naar voren gebracht dat hij er vertrouwen in heeft dat gewerkt zal worden aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De vader ziet in dat hulpverlening noodzakelijk is en is hiervoor gemotiveerd.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is de kinderrechter van oordeel dat nog voldaan wordt aan de wettelijke criteria uit artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat er nog zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is, gelet op zijn zeer jonge leeftijd, geheel afhankelijk van zijn ouders. Door de individuele problematiek van beide ouders, bleken zij onvoldoende in staat om stabiele en betrouwbare opvoeders voor [minderjarige] te zijn. De kinderrechter prijst de ouders, zowel de vader als de moeder, dat zij nu openstaan voor de hulpverlening en hun uiterste best doen om aan zichzelf te werken in het belang van [minderjarige] . Mede hierdoor kan de moeder vanaf augustus voor een nader te bepalen periode verblijven in het ouder-kindhuis, waardoor de terugplaatsing van [minderjarige] – nu zijn toekomstperspectief bij de moeder ligt – stapsgewijs gerealiseerd kan worden. Hierbij moet worden onderzocht wat er nodig is voor een terugplaatsing van [minderjarige] en wat de rol van de vader hierbij zal zijn. Gelet op de stappen die nog moeten worden gezet en de tijd die voor de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder middels het ouder-kindhuis naar verwachting voor nodig zal zijn, acht de kinderrechter de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden passend en geboden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden van 15 juli 2023 tot 15 juli 2024;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 juli 2023 tot 7 januari 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2023 door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in aanwezigheid van I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.