ECLI:NL:RBDHA:2023:10955
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 30 juni 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft het bezwaar op 24 augustus 2022 behandeld en beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en constateert dat een dergelijk verzoek alleen kan worden gedaan als er een bezwaar of beroep aanhangig is.
Omdat het bezwaar reeds is afgedaan en er inmiddels een uitspraak is gedaan in een gerelateerde zaak (AWB 22/5622), wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds is beslist en het verzoek kennelijk ongegrond is.