ECLI:NL:RBDHA:2023:10956
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 14 juli 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 7 september 2022 op het bezwaar beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk indien er een bezwaar of beroep aanhangig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld moet worden met een verzoek dat wordt gedaan tijdens een beroep, maar aangezien het beroep in een andere zaak (AWB 22/5628) reeds is behandeld, is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds is beslist en het verzoek kennelijk ongegrond is.