ECLI:NL:RBDHA:2023:10966
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afgewezen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 14 april 2022. Tegen dit primaire besluit maakte verzoeker bezwaar en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft het bezwaar op 22 juni 2022 inhoudelijk behandeld en beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig was op het moment van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op basis van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen mogelijk is als er een bezwaar of beroep aanhangig is.
Omdat het bezwaar reeds was afgehandeld en er een uitspraak was gedaan in een gerelateerde beroepszaak (AWB 22/4448), werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is zonder zitting gedaan en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds was behandeld.