ECLI:NL:RBDHA:2023:1097
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visumaanvraag kort verblijf Marokkaanse familieleden
Verzoeksters, Marokkaanse familieleden van een in Nederland verblijvende vrouw die recent is bevallen, vroegen om een visum kort verblijf om haar te ondersteunen. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde de aanvragen vanwege meerdere weigeringsgronden, waaronder onvoldoende middelen van bestaan van de garantsteller.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks het spoedeisend belang van verzoeksters, toewijzing van de voorlopige voorziening feitelijk een definitief karakter zou krijgen, wat slechts bij zeer bijzondere omstandigheden kan. Verzoeksters voerden aan dat zij vergelijkbare visums in 2019 kregen en dat de garantsteller voldoende inkomen had, maar de rechter stelde vast dat het inkomen inmiddels lager is dan de norm en dat de normbedragen zijn verhoogd.
Daarom is de weigeringsgrond terecht toegepast en heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wees het verzoek af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens onvoldoende inkomen garantsteller en het ontbreken van een voorlopig karakter.