Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn bezwaar tegen de afwijzing van bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser verweerder rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht en kennelijk gegrond is. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar. Tevens wordt een dwangsom van € 1.442,- vastgesteld wegens de reeds verstreken 42 dagen overschrijding en een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- voor eventuele verdere overschrijding.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 418,50 toegekend, omdat eiser een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld. De rechtbank wijst een zitting af omdat deze niet noodzakelijk is.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en de rechtsbescherming van belanghebbenden bij overschrijding van wettelijke termijnen.