De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 6 juli 2023 waarbij de maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, met Iraakse nationaliteit, betwistte met name de feitelijke juistheid van enkele zware gronden voor de bewaring, zoals het risico op onttrekking aan toezicht.
Verweerder stelde dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht volgens de Dublinverordening en dat er een significant risico is dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a en 3d en de lichte gronden 4a, 4c en 4d onbetwist zijn gebleven en voldoende grond bieden voor de maatregel. De rechtbank verwierp het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede vanwege de verklaring van eiser dat hij illegaal naar de Verenigde Staten wil vertrekken.
De rechtbank concludeerde dat de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel zijn vervuld en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.