Eiser, een Georgische nationaliteit dragende persoon die zich identificeert als homo- en transgender, verzocht asiel in Nederland op grond van zijn seksuele geaardheid en genderidentiteit. Hij stelde dat hij in Georgië mishandeld werd en vreest voor zijn leven bij terugkeer vanwege het ontbreken van adequate bescherming door de autoriteiten.
De staatssecretaris erkende de identiteit en geaardheid van eiser als geloofwaardig, evenals de problemen die hij ondervond, maar concludeerde dat eiser niet voldeed aan de criteria voor een verblijfsvergunning omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.
De rechtbank oordeelde dat hoewel Georgië voor LHBTI’ers niet als veilig land van herkomst geldt, dit niet automatisch leidt tot toekenning van asiel. Eiser had in Georgië een bestaan kunnen opbouwen, met opleiding, werk en sociale uitingen van zijn geaardheid. Ook was het niet aannemelijk dat hij geen effectieve bescherming kan inroepen bij de autoriteiten, ondanks erkende maatschappelijke problemen en homofobe houdingen.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade of discriminatie die asiel rechtvaardigt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen.