ECLI:NL:RBDHA:2023:11215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2023
Publicatiedatum
28 juli 2023
Zaaknummer
NL23.8426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Vluchtelingenverdrag 28 juli 1951Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Georgische transgender wegens onvoldoende gegronde vrees

Eiser, een Georgische nationaliteit dragende persoon die zich identificeert als homo- en transgender, verzocht asiel in Nederland op grond van zijn seksuele geaardheid en genderidentiteit. Hij stelde dat hij in Georgië mishandeld werd en vreest voor zijn leven bij terugkeer vanwege het ontbreken van adequate bescherming door de autoriteiten.

De staatssecretaris erkende de identiteit en geaardheid van eiser als geloofwaardig, evenals de problemen die hij ondervond, maar concludeerde dat eiser niet voldeed aan de criteria voor een verblijfsvergunning omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.

De rechtbank oordeelde dat hoewel Georgië voor LHBTI’ers niet als veilig land van herkomst geldt, dit niet automatisch leidt tot toekenning van asiel. Eiser had in Georgië een bestaan kunnen opbouwen, met opleiding, werk en sociale uitingen van zijn geaardheid. Ook was het niet aannemelijk dat hij geen effectieve bescherming kan inroepen bij de autoriteiten, ondanks erkende maatschappelijke problemen en homofobe houdingen.

De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade of discriminatie die asiel rechtvaardigt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen.

Uitkomst: Het beroep op asiel van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.8426

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Zuithoff).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Gamadze. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Georgische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 31 mei 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Eiser heeft daaraan zijn homo- en transseksualiteit ten grondslag gelegd. Hij heeft daardoor in Georgië problemen ondervonden met zijn vader en is tot drie keer toe door verschillende mensen mishandeld vanwege zijn geaardheid. Hier is geen bescherming tegen in te roepen bij de autoriteiten. Eiser vreest bij terugkeer naar Georgië gedood te worden.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van
eiser geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de trans- en/of homoseksuele gerichtheid van eiser en de daarmee samenhangende problemen eveneens geloofwaardig geacht. Echter komt hij op grond hiervan niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting heeft te vrezen voor discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag [2] of ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [3] vanwege zijn geaardheid.
3. Eiser voert in beroep aan dat hij bij gedwongen terugkeer naar Georgië een reëel risico loopt op ernstige schade, omdat hij inmiddels openlijk voor zijn transgenderidentiteit is uitgekomen. Hij wijst hierbij op de herbeoordelingsbrief van verweerder aan de Tweede Kamer van 8 juni 2023, waarbij de aanwijzing van Georgië als veilig land van herkomst is voortgezet, met uitzondering voor LHBTI. Eiser stelt dat hij in het verleden een masker heeft moeten dragen, dus verweerder werpt hem ten onrechte tegen dat hij in Georgië zijn seksuele geaardheid heeft kunnen uiten. Eiser voert, onder verwijzing naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 18 januari 2023, aan dat is gebleken dat de Georgische autoriteiten niet in staat zijn om adequaat op te treden tegen systematisch geweld en discriminatie tegen LHBTI’ers en hen daartegen effectieve bescherming te bieden. In dit verband heeft eiser nog enkele nieuwsberichten overgelegd. Ook stelt eiser dat verweerder er ten onrechte geen rekening mee houdt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat het inroepen van bescherming vrijwel zinloos en gevaarlijk is. Tot slot heeft eiser nog twee getuigenverklaringen overgelegd om zijn asielrelaas te ondersteunen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Georgië geen veilig land van herkomst is voor LHBTI. Ook is niet in geschil dat eiser onder deze uitzonderingsgroep valt. Dat uit het neergelegde beleid volgt dat Georgië voor LHBTI’ers niet als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd, betekent echter niet dat iedere LHBTI’er afkomstig uit Georgië als gevolg daarvan zonder meer in aanmerking komt voor een asielvergunning. Het betekent enkel dat een dergelijke asielaanvraag in de ‘spoor 4’ procedure behandeld dient te worden, zoals verweerder in het geval van eiser ook heeft gedaan.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw omdat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarvoor is immers vereist dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een godsdienstige of politieke overtuiging of een nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep. Weliswaar zijn de homo- en transseksuele geaardheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen geloofwaardig geacht, maar uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij om die reden aangemerkt moet worden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen voorkomende toekomstige problemen in Georgië bescherming van de autoriteiten in te roepen.
6. Verweerder heeft zich daartoe allereerst op het standpunt kunnen stellen dat het voor eiser mogelijk is geweest om te functioneren binnen de Georgische maatschappij. Zo heeft hij een universitaire opleiding afgerond, zijn eigen woning kunnen huren en meerdere banen gehad, terwijl hij zijn geaardheid bijvoorbeeld uitte door zich op te maken, samen te wonen met zijn vriend en in vrouwenkleding naar restaurants te gaan. Daarmee is dan ook niet gebleken dat eiser als LHBTI’er geen bestaan op kon bouwen in Georgië of dat hij zich niet heeft kunnen uiten. Verweerder heeft verder onderkend dat in zijn algemeenheid wel sprake is van geweld en discriminatie jegens de LHBTI-gemeenschap in Georgië en dat een groot deel van de bevolking nog steeds negatief oordeelt over deze groep. Verweerder wijst er echter ook terecht op dat sprake is van wetgeving die discriminatie vanwege geaardheid verbiedt, dat het aantal vervolgingen hiervoor toeneemt en dat er sprake is van inzet van NGO’s voor rechten van deze gemeenschap.
7. Voor zover eiser vreest bij terugkeer naar Georgië opnieuw te maken te krijgen met mishandeling of gedood te zullen worden, geldt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat het voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is om zich tot de autoriteiten te wenden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat uit de verklaringen van eiser volgt dat hij zelf heeft besloten om zich niet tot de Georgische autoriteiten te wenden voor bescherming. Van eiser mag worden verwacht dat hij al het mogelijke in het werk stelt om zijn problemen in het land van herkomst op te lossen door bescherming in te roepen van de autoriteiten, alvorens zich te wenden tot de autoriteiten van een ander land met het verzoek om internationale bescherming. Verweerder heeft in de besluitvorming en het verweerschrift voldoende gemotiveerd uiteengezet dat in Georgië de mogelijkheid bestaat om aangifte te doen bij de politie. Indien de politie niet adequaat optreedt, kan daarover worden geklaagd bij de ombudsman of andere daartoe geëigende instanties. Verweerder wijst er ook terecht op dat eiser zelf heeft verklaard dat het mogelijk was om een zaak aan te spannen bij de rechtbank. Ook verwijst verweerder in het bestreden besluit naar een openbare bron waaruit blijkt dat de vervolging van
hate crimesin Georgië toeneemt, ook in een aantal zaken waar LHBTI’ers bij betrokken waren. Hieruit volgt dat de politie en justitie in Georgië werk maken van de vervolging en veroordeling van
hate crimesjegens LHBTI.
8. Hoewel verweerder ter zitting heeft erkend dat LHBTI’ers in Georgië te maken krijgen met een homofobe houding van de politie en dat de verbetering van de positie van LHBTI’ers in de praktijk langzamer verloopt dan gewenst, stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit niet wegneemt dat LHBTI’ers in staat moeten worden geacht om aangifte te doen bij de politie en indien nodig kunnen klagen bij de (hogere) autoriteiten en de ombudsman. Uit landeninformatie blijkt dat aangiftes worden opgenomen en vervolging wordt ingesteld. Verweerder heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat de berichtgeving over de verstoring van de Gay Pride in [plaatsnaam] op 8 juli 2023 daar niet aan af doet. Dit past in het beeld wat al bekend is over de situatie in Georgië en niet kan bij voorbaat gesteld worden dat geen vervolgingen of veroordelingen zullen volgen vanuit de Georgische autoriteiten. Ook de overgelegde getuigenverklaringen doet niet af aan het voorgaande, nu deze subjectief van aard zijn.
9. Gelet op het voorgaande bestaan er onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat in het geval van eiser aannemelijk moet worden geacht dat hij bij terugkeer naar Georgië heeft te vrezen voor discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [4] vanwege zijn geaardheid.
10. De asielaanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève 28 juli 1951.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.