Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een etage-portiekflat van circa 69 m², die door verweerder was vastgesteld op €177.000 voor het kalenderjaar 2021. Eiser stelde dat de waarde te hoog was vanwege ondergemiddelde onderhoudstoestand, gedateerde voorzieningen en ongunstige ligging door parkeerdrukte. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatieverslag en een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten in Den Haag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De vergelijkingsobjecten waren goed vergelijkbaar en de lagere vierkantemeterprijs van de woning ten opzichte van deze objecten werd in de waardering meegenomen. De door eiser overgelegde foto’s en argumenten waren onvoldoende om een lagere waarde aannemelijk te maken. Ook het ontbreken van KOUDV-factoren en indexering leidde niet tot een ander oordeel.
Verder werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de vergoeding vermoedelijk toekomt aan de gemachtigde en niet aan eiser. De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het beroep ongegrond.