ECLI:NL:RBDHA:2023:1136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2023
Publicatiedatum
6 februari 2023
Zaaknummer
SGR 22/8254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening begeleiding buitenshuis op grond van Wmo 2015

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om de intensiteit van haar maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden te wijzigen van basis naar plus. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 19 januari 2023 behandeld.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien er onverwijlde spoed is. In deze zaak is vastgesteld dat verzoekster geen spoedeisend belang meer heeft bij haar verzoek, omdat zij reeds beschikt over een vergelijkbare voorziening voor professionele begeleiding buitenshuis. Deze voorziening is toegekend bij een tussenuitspraak van 2 februari 2023 in een andere procedure die betrekking heeft op ondersteuning op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren.

De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. De uitspraak is gedaan op 2 februari 2023 en is onherroepelijk; tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8254

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: M.J. Logan).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
Met het besluit van 22 april 2022 heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan verzoekster een maatwerkvoorziening verstrekt voor ondersteuning bij het huishouden met de intensiteit basis voor de periode van 1 augustus 2022 tot en met 31 augustus 2026. Met het bestreden besluit van 12 december 2022 op het bezwaar van verzoekster heeft verweerder de intensiteit van de ondersteuning vanaf 1 december 2022 voor de duur van zes maanden gewijzigd naar plus. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang bij haar verzoek (meer) heeft
.Daarbij neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking. Verzoekster wil dat haar een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding buitenshuis wordt verstrekt. Bij tussenuitspraak van 2 februari 2023 (SGR 21/4998) in de procedure die betrekking heeft op de aanvraag voor ondersteuning op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren, heeft de rechtbank reeds een vergelijkbare voorziening getroffen. De bij die uitspraak getroffen voorziening strekt er namelijk toe dat verweerder met ingang van 2 februari 2023 aan verzoekster een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van 2 uur per week professionele begeleiding bij het naar buiten gaan, tot de datum van de einduitspraak in die procedure. Daarmee beschikt verzoekster dus voorlopig over gewenste begeleiding.
3. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.