ECLI:NL:RBDHA:2023:11406
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen weigering teruggave in bewaring genomen paspoort
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn paspoort in bewaring te nemen en niet terug te geven. Het paspoort werd op 4 juni 2022 in bewaring genomen en op 14 juni 2022 weigerde de staatssecretaris het terug te geven. Het bezwaar van eiser werd op 11 augustus 2022 afgewezen.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat partijen geen zitting wensten. De staatssecretaris heeft nagelaten de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, waardoor de rechtbank het beroep beoordeelt op basis van de door eiser ingebrachte stukken en uitgaat van zijn feiten.
Eiser betoogt dat hij op 14 april 2022 een verblijfsvergunning regulier heeft aangevraagd en daarmee rechtmatig verblijf had, waardoor het in bewaring nemen van het paspoort niet gerechtvaardigd zou zijn. De staatssecretaris stelt dat de aanvraag pas op 6 juni 2022 is ingediend. Door het ontbreken van stukken gaat de rechtbank uit van de datum van 14 april 2022.
De rechtbank oordeelt dat eiser slechts een tijdelijk procedureel verblijfsrecht heeft en dat de grond voor de inbewaringneming van het paspoort met het oog op uitzetting niet is vervallen. Ook is het vasthouden van het paspoort niet onevenredig omdat eiser geen nadelen heeft toegelicht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot teruggave van het in bewaring genomen paspoort is ongegrond verklaard.