Eiser, met de Bengaalse nationaliteit, diende op 21 juli 2022 een verzoek om internationale bescherming in Nederland in, waarbij hij een zogenaamde loopbrief ontving. De staatssecretaris stelde dat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van het verzoek op grond van de Dublinverordening en nam de aanvraag niet in behandeling. Eiser stelde dat Nederland verantwoordelijk werd omdat het terugnameverzoek te laat was ingediend, aangezien het verzoek om bescherming reeds was ingediend bij ontvangst van de loopbrief.
De rechtbank oordeelde dat de loopbrief moet worden aangemerkt als een proces-verbaal in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening, waarmee het verzoek om internationale bescherming als ingediend geldt. Het Hof van Justitie bevestigde in het arrest Mengesteab dat een dergelijk document als bewijs kan dienen, ook zonder wettelijke grondslag.
Omdat de staatssecretaris het terugnameverzoek niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na ontvangst van de loopbrief had ingediend, kwam de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek toe aan Nederland. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep had beslist.