Eiseres betwistte de naheffingsaanslag BPM van € 5.885 opgelegd door verweerder, met als kernpunten de juiste vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat, de historische nieuwprijs, het huurverleden, waardevermindering door ex-schade en de tijdigheid van de aanslag.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de meer dan normale gebruiksschade op de aangiftedatum nog aanwezig was, mede omdat essentiële gebreken waren hersteld en een taxatierapport met schade niet geschikt is voor BPM-waardebepaling. De rechtbank bevestigde dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld aan de hand van de referentieauto en dat de koerslijst als richtlijn geldt, maar eiseres vrijstaat een individueel taxatierapport te overleggen.
Verder erkende eiseres dat het huurverleden reeds was meegenomen en faalde zij in het aantonen van een blijvende waardevermindering door ex-schade. De naheffingsaanslag werd tijdig opgelegd binnen de wettelijke termijn van vijf jaar, waardoor het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.