ECLI:NL:RBDHA:2023:11444

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2023
Publicatiedatum
2 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.5611
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a VwArt. 62 VwArt. 6.5a VbArt. 3 lid 1 Richtlijn 2004/38/EGRichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen inreisverbod op grond van overschrijding verblijfsduur en relatie met Nederlandse partner

Eiseres, een Argentijnse vrouw, kreeg op 31 januari 2023 een inreisverbod van twee jaar opgelegd omdat zij de toegestane verblijfsduur van 90 dagen in het Schengengebied met 127 dagen had overschreden. Zij stelde dat het inreisverbod onterecht was omdat zij op 11 januari 2023 was getrouwd met een Nederlandse staatsburger en zich daarmee als gezinslid van een EU-burger op grond van Richtlijn 2004/38/EG en het Metock-arrest op rechten kon beroepen.

De rechtbank oordeelde dat deze richtlijn niet van toepassing is omdat de Nederlandse echtgenoot nooit in een andere lidstaat dan Nederland heeft verbleven en dus geen recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend. Ook het Metock-arrest was niet relevant, omdat het ziet op andere situaties waarbij een derde lander legaal in een andere lidstaat verbleef. Bovendien had eiseres geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen 28 dagen tegen het terugkeerbesluit bezwaar te maken.

De rechtbank stelde vast dat het inreisverbod terecht was opgelegd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet en artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit vanwege de ernstige overschrijding van de verblijfsduur. Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees erop dat eiseres een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf had ingediend, die bij toekenning aanleiding kan zijn tot opheffing van het inreisverbod.

Uitkomst: Het beroep tegen het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5611

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Bonth).

Procesverloop

Op 31 januari 2023 (het bestreden besluit) is aan eiseres een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd voor een periode van twee jaar.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft twee verweerschriften ingediend. Eiseres heeft daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen is op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb [2] het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Op 19 juni 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Op 19 juli 2023 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Argentijnse nationaliteit.
2. Op 27 december 2022 is aan eiseres een terugkeerbesluit [3] opgelegd, omdat bij de paspoortcontrole ten tijde van haar uitreis uit de Europese Unie bleek dat eiseres de vrije termijn van 90 dagen waarbinnen zij in de Europese Unie mocht verblijven, met 127 dagen had overschreden. Op diezelfde datum heeft verweerder het voornemen geuit om aan eiseres een inreisverbod op te leggen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. [4]
3. Eiseres voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte aan haar een inreisverbod heeft opgelegd. Zij is namelijk op 11 januari 2023 getrouwd met [naam 2] . Ter onderbouwing legt eiseres een huwelijksakte uit Argentinië over. Haar echtgenoot is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en eiseres is daarom een gezinslid van een EU-onderdaan. Omdat eiseres getrouwd is met een EU-onderdaan had verweerder geen inreisverbod tegen haar mogen uitvaardigen. Immers, eiseres kan vanwege dit inreisverbod niet langer met haar Nederlandse echtgenoot de Europese Unie inreizen. Eiseres beroept zich op Richtlijn 2004/38/EG en Verordening (EG) nr. 539/2001. Zij beroept zich verder op het arrest Metock [5] van het Hof van Justitie [6] . Het enkele feit dat de echtgenoot van eiseres nimmer in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland heeft verbleven, neemt niet weg dat het inreisverbod wel afbreuk doet aan het recht van eiseres en haar echtgenoot om andere lidstaten van de Europese Unie in te reizen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiseres op 25 mei 2022 het Schengengebied is ingereisd en dat zij eerst op 27 december 2022 het Schengengebied wilde verlaten. Verweerder vaardigt een inreisverbod uit op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw in samenhang met artikel 6.5a, tweede lid, van het Vb [7] tegen de vreemdeling die de vrije termijn bedoeld in artikel 3.3 van het Vb met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. Aangezien eiseres de vrije termijn met 127 dagen heeft overschreden, kon tegen haar een inreisverbod voor de duur van twee jaar worden uitgevaardigd. In artikel 6.5a van het Vb is de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan al verdisconteerd.
5. Volgens artikel 3 lid 1 van Pro Richtlijn 2004/38/EG is begunstigde van de richtlijn
iedere Unieburger die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit alsmede diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2 punt Pro 2 die hem begeleiden of die zich bij hem voegen. Dat artikel moet aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op een burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend en die altijd heeft verbleven in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit. Evenmin vallen zijn of haar gezinsleden uit een derde land onder dit begrip.
6. Eiseres is voor haar uitreis uit Nederland op 27 december 2022 een informatiefolder ‘voornemen inreisverbod’ uitgereikt. Hieruit blijkt dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om binnen 28 dagen na de dag waarop aan haar het terugkeerbesluit is uitgereikt schriftelijk haar zienswijze in te dienen tegen dat voornemen. Eiseres heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Nog afgezien van het feit dat bij verweerder ten tijde van het bestreden besluit niet bekend kon zijn dat eiseres getrouwd is met een Nederlander, ook omdat niet gebleken is dat dit huwelijk in Nederland is ingeschreven, heeft verweerder daarin geen reden hoeven zien om af te zien van het inreisverbod. Immers niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres geen begunstigde is in de zin van Richtlijn 2004/38/EG, zodat eiseres daaraan geen rechten kan ontlenen.
7. Het beroep van eiseres op het arrest Metock treft voorts geen doel nu dat arrest toeziet op een geheel andere kwestie dan in deze zaak. Dat arrest beantwoordt namelijk de vraag of Richtlijn 2004/38/EG ook van toepassing is op personen met de nationaliteit van een derde land, die familielid zijn van een begunstigd EU-onderdaan en die hem begeleidt of zich bij hem voegt in een andere lidstaat dan die waarvan die EU-onderdaan de nationaliteit heeft, en hem rechten van binnenkomst en verblijf in die lidstaat verleent, als de derdelander niet legaal in een andere lidstaat heeft verbleven.
8. De beroepsgrond van eiseres dat zij als gevolg van het inreisverbod haar echtgenoot niet kan vergezellen naar een andere Europese lidstaat slaagt evenmin. De enkele stelling van eiseres dat het inreisverbod mogelijk afbreuk doet aan de mogelijkheid voor eiseres om andere lidstaten van de Europese Unie in te reizen leidt niet tot een ander oordeel. Immers, indien eiseres tezamen met haar echtgenoot in een andere lidstaat van de Europese Unie wenst te verblijven kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen in die lidstaat. De betreffende lidstaat kan dan verzoeken de signalering voor het inreisverbod uit het Schengeninformatiesysteem te halen. [8] Niet gebleken is dat eiseres een dergelijke aanvraag heeft ingediend en dat het inreisverbod het haar onmogelijk maakt om in een andere lidstaat verblijfsrecht te verkrijgen. Verweerder heeft er bovendien op gewezen dat eiseres op 31 januari 2023 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf heeft ingediend voor verblijf bij haar Nederlandse partner. Zij beoogt kennelijk verblijf in Nederland. Verweerder heeft er in dat verband op gewezen dat indien eiseres voldoet aan alle voorwaarden van die aanvraag dit aanleiding kan zijn tot opheffing van het inreisverbod.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Op grond van artikel 62 van Pro de Vw.
4.Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw.
5.Van 25 juli 2008 in de zaak C-127/08.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie.
7.Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Zie artikel 11, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.