ECLI:NL:RBDHA:2023:11544
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij bezwaar tegen niet-in behandeling nemen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoekschrift en constateerde dat het geen gronden bevatte, hetgeen een vereiste is op grond van de Awb. De voorzieningenrechter gaf verzoeker vervolgens de mogelijkheid om binnen vier weken alsnog gronden in te dienen, maar hierop werd niet gereageerd.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk behandeld. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.