ECLI:NL:RBDHA:2023:11546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij aanvraag verblijfsvergunning
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat dit geen gronden bevatte, terwijl dit volgens de wet wel vereist is. Verzoeker is hier schriftelijk op gewezen en kreeg de mogelijkheid om alsnog gronden in te dienen, maar heeft niet gereageerd.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.