ECLI:NL:RBDHA:2023:11552
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij aanvraag verblijfsvergunning regulier
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 6 september 2022. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de beoordeling blijkt dat het beroepschrift geen gronden bevat waarop eiser zijn beroep baseert, wat een vereiste is volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb.
De rechtbank heeft eiser bij aangetekende brief verzocht alsnog binnen vier weken gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen. Gezien het ontbreken van gronden verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.