ECLI:NL:RBDHA:2023:11571
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden bij verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 16 november 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 9 februari 2023.
Vervolgens verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5 Awb Pro. Verzoeker werd bij aangetekende brief verzocht alsnog binnen twee weken gronden in te dienen, maar hierop werd niet gereageerd.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk is behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.