ECLI:NL:RBDHA:2023:11573
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na bezwaarbesluit
Verzoeker heeft bij besluit van 13 november 2019 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Hiertegen maakte hij bezwaar, waarna verweerder op 9 maart 2020 op het bezwaar heeft beslist. Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar heeft niet gereageerd op de vraag of hij dit verzoek wenst te handhaven.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting. Omdat het bezwaar inmiddels is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn, is er geen bezwaar of beroep meer aanhangig. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is volgens artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen bezwaar of beroep meer aanhangig is.