ECLI:NL:RBDHA:2023:11581
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden bij verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker werd per aangetekende brief verzocht alsnog binnen twee weken gronden in te dienen, maar hierop werd niet gereageerd.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en wees het verzoek af zonder inhoudelijke behandeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.