ECLI:NL:RBDHA:2023:11582
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na afwijzing bezwaar verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 14 april 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De staatssecretaris heeft bij besluit van 20 juni 2022 op het bezwaar beslist, waarbij het bezwaar is afgewezen.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting. Omdat het bezwaar inmiddels is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn, is er geen bezwaar of beroep meer aanhangig. Hierdoor voldoet het verzoek om voorlopige voorziening niet aan de vereisten van artikel 8:81, eerste lid, Awb.
De rechtbank constateert dat eerdere brieven waarin werd gesteld dat beroep was ingesteld onjuist waren, omdat het beroep niet gericht was tegen het besluit op bezwaar. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.