ECLI:NL:RBDHA:2023:11589
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 13 juni 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft op 11 augustus 2022 op het bezwaar beslist. Omdat het bezwaar inmiddels is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de wettelijke termijn, is er geen bezwaar of beroep meer aanhangig. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk als er een bezwaar of beroep aanhangig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens afhandeling bezwaar en ontbreken beroep.