ECLI:NL:RBDHA:2023:11591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 21 juni 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg tevens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Op 11 augustus 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar behandeld en een besluit genomen, waarna verzoeker geen beroep heeft ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening en constateert dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien bezwaar of beroep aanhangig is.
Aangezien het bezwaar reeds is afgehandeld en geen beroep is ingesteld, is er geen bezwaar of beroep meer aanhangig, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wordt verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar reeds is afgehandeld en geen beroep is ingesteld.