ECLI:NL:RBDHA:2023:11622

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2023
Publicatiedatum
3 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.15013
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning na vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 mei 2023, waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd afgewezen als ongegrond.

De staatssecretaris heeft de rechtbank geïnformeerd dat eiser sinds 30 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). De rechtbank heeft eiser en zijn gemachtigde verzocht aan te tonen dat er nog sprake is van procesbelang, onder meer door te bevestigen dat eiser nog in Nederland verblijft en contact onderhoudt met zijn gemachtigde.

De gemachtigde heeft verklaard niet te weten of eiser nog in Nederland is en dat er sinds 30 mei 2023 geen contact is geweest. De rechtbank concludeert hieruit dat eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke behandeling van het beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15013

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. van der Toorn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding1. Bij het bestreden besluit van 16 mei 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Bij brief van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris de rechtbank meegedeeld dat eiser sinds 30 mei 2023 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De rechtbank overweegt dat na een melding van vertrek met onbekende bestemming de vooronderstelling geldt dat een vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Het ligt dan op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling onjuist is en daarmee dat er nog sprake is van procesbelang. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] blijkt dat de vreemdeling zijn procesbelang aannemelijk kan maken door te laten weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat de gemachtigde met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. Bij brief van 19 juni 2023 heeft de rechtbank de gemachtigde gevraagd of hij kan aangeven of eiser nog in Nederland verblijft en zo ja, waar hij verblijft. Daarnaast is aan de gemachtigde gevraagd of eiser vanaf 30 mei 2023 nog contant met hem heeft onderhouden. De gemachtigde heeft op 20 juni 2023 laten weten dat het hem niet bekend is of eiser nog in Nederland verblijft en dat er vanaf 30 mei 2023 ook geen contact is geweest met eiser.
5. Bij deze stand van zaken neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.