Verzoekster, van Russische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 november 2022 werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist.
De Staatssecretaris verzette zich niet tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen om het verzoek toe te wijzen gezien de belangen en de spoedeisendheid van de situatie. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van € 837,-.
De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier B. van der Wiel op 3 augustus 2023 te Den Haag. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.