ECLI:NL:RBDHA:2023:11699

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2023
Publicatiedatum
4 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.20947
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 15 Richtlijn 2008/115/EGArt. 5 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

Eiser, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, is sinds 13 mei 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.

De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was en dat nu alleen het voortduren sinds 7 juni 2023 beoordeeld moest worden. Eiser stelde dat geen individuele belangenafweging was gemaakt, dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de laissez-passer aanvraag en dat zijn medische klachten onvoldoende werden behandeld.

De rechtbank oordeelde dat bij een bewaring van minder dan zes maanden geen belangenafweging vereist is en dat de gronden voor bewaring nog steeds van toepassing zijn. De medische zorg is beschikbaar en de rechtbank kan niet oordelen over de uitvoering binnen het detentiecentrum. De aanvraag voor een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten was terecht, aangezien eiser de Algerijnse nationaliteit niet had aangetoond.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20947

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 27 juli 2023.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op 24 december 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8792. volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 7 juni 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat verweerder geen inhoudelijke individuele belangenafweging heeft gemaakt inzake het voortduren van de bewaring. In de voortgangsrapportage is opgenomen dat de belangenafweging ‘niet van toepassing’ is. Er is dan volgens eiser ook geen deugdelijke motivering gegeven is door verweerder. Ook is daardoor ten onrechte geen lichter middel toegepast. Eiser heeft medische en psychische klachten, die verergeren door het strikte bewaringsregime in het detentiecentrum. Eiser stelt dat hij geen behandeling krijgt voor deze klachten. Verder is eiser van mening dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft de LP [2] -aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten, terwijl eiser heeft verklaard de Algerijnse nationaliteit te hebben. Daardoor handelt verweerder onvoldoende voortvarend volgens eiser. De Marokkaanse autoriteiten hebben ook niet gereageerd op de LP-aanvraag. De maatregel van bewaring en de ingediende LP-aanvraag dienen dan ook geen enkel doel, nu de aanvraag bij de verkeerde autoriteiten is gedaan. Eiser meent dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is en in strijd met onder meer artikel 15, tweede lid en onder b, van de Terugkeerrichtlijn [3] , artikel 5 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest. [5]
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De maatregel van bewaring duurt nog geen zes maanden, wat maakt dat verweerder niet gehouden is om een belangenafweging te maken bij het voortduren van de maatregel. In de voortgangsrapportage is dan ook terecht opgenomen dat de belangenafweging niet van toepassing is.
6. Het is de rechtbank niet gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, en het daaruit volgende risico op onttrekking aan het toezicht, niet meer van toepassing zijn op eiser. Voor zover eiser medische klachten heeft, geldt dat hij toegang heeft tot medische zorg in het detentiecentrum. Daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd dat medische behandeling hem geweigerd wordt dan wel niet (voor hem) beschikbaar is, kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling [6] niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. [7] Daarvoor staan andere rechtsmiddelen open. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend maken. Gelet op het onttrekkingsrisico heeft verweerder ook terecht geen lichter middel toegepast.
7. Bij uitspraak van 13 juni 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder in het geval van eiser terecht uitgaat van de Marokkaanse nationaliteit en het aan eiser is om de Algerijnse nationaliteit aan te tonen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen. Ook is niet gebleken van enige pogingen van eiser om de volgens hem juiste nationaliteit aan te tonen. Dit maakt dat de LP-aanvraag ook terecht is ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voortvarend te werk gaat met dit traject. Verweerder rappelleert op frequente basis over de LP-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten en voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom uitzetting naar Marokko in het algemeen, of voor hem in het bijzonder, niet binnen afzienbare termijn mogelijk is.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [8]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Richtlijn 2008/115/EG.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21 en - in aansluiting hierop - ook de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.