ECLI:NL:RBDHA:2023:11706
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument na verval Nederlanderschap wegens identiteitsfraude
Eiser had sinds 22 juni 1994 een verblijfsvergunning en verkreeg op 3 februari 2000 het Nederlanderschap. In juni 2022 werd zijn Nederlanderschap met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege identiteitsfraude. Eiser vroeg daarop een nieuw verblijfsdocument aan, maar dit werd geweigerd omdat hij geen rechtmatig verblijf meer had.
Eiser stelde dat hij tot 3 februari 2000 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd had en dat de weigering onterecht was. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had onderbouwd dat de verblijfsvergunning tot 22 juni 2000 slechts voor bepaalde tijd was verleend. Eiser kon dit niet weerleggen.
De procedure richtte zich uitsluitend op de vraag of de aanvraag voor het verblijfsdocument terecht was afgewezen. De persoonlijke omstandigheden van eiser waren niet relevant in deze procedure. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument is ongegrond verklaard.